NET LID

‘HET IS BELANGRIJK OM EEN TEGENGELUID TE LATEN HOREN’

Tekst en beeld Mike Raanhuis

Arno van Gent (55) uit Fijnaart is officieel timmerman, maar hij noemt zich liever manusje-van-alles. In het verleden was Arno al aangesloten bij de FNV, hij stopte een tijdje en is sinds vandaag – de dag dat dit interview plaatsvond – weer lid.

1. Lid, geen lid, net lid. Kun je dat uitleggen?

‘Ooit ben ik gestopt bij de FNV omdat ik bij een reorganisatie van het bedrijf waar ik destijds werkte, in mijn ogen niet goed geholpen werd door de bond. Heel demonstratief heb ik toen in 2012 mijn lidmaatschap opgezegd. De grote bedrijven werden wat mij betreft veel te machtig, werkgevers kregen steeds meer te vertellen en dat vond ik niks.'

2. En nu ben je weer aan boord.

‘Klopt, sinds vandaag om precies te zijn. In januari was er een staking en toen heb ik vrijwillig meegedaan, ik wilde solidair zijn met de collega’s en dat moment heeft me doen besluiten om weer lid te worden. Ik vind het belangrijk om sterk te staan tegen de werkgeversorganisaties en de overheid, om een tegengeluid te laten horen Kijk, ik moet tot 67 jaar doorwerken, maar ik wil er met 62 jaar en vier maanden echt wel uit. Dat is mijn streven.’

3. Welke werknemersrechten vind jij met name belangrijk?

‘Als oudere werknemer ben ik vanzelfsprekend met dat pensioen bezig. Om een voorbeeld te geven: de leeftijd voor vijf ‘ouwelullendagen’ is begin 2020 met twee jaar opgeschoven. Nu krijg ik ze pas op mijn 57ste en dat is toch inboeten op waar je je hele leven voor gewerkt hebt. Wanneer je ouder bent, wil je genieten van wat je in de jaren hebt opgebouwd. Het waren elf dagen, dat zijn er nu nog maar vijf. En mijn collega van 50 jaar krijgt zelfs niets meer. Dat is zuur.’

4. Bovendien hebben jullie fysiek zwaar werk.

‘Zonder overdrijving loop ik zo’n 13 kilometer op een dag. Daar komt bij dat ik heel veel aan het organiseren ben. Ik ben dan wel timmerman, maar eigenlijk doe ik veel verschillende dingen als manusje-van-alles. Noem mij maar een spin in het web die ervoor zorgt dat de collega’s hun werk vlot, vloeiend en gestructureerd kunnen uitvoeren. Dat is trouwens best zorgelijk hoor, alle knowhow die in onze branche wegvalt. Het kan zomaar zijn dat we dadelijk gebouwen moeten neerzetten met hoofdzakelijk ingehuurde jongens uit het buitenland. Dat zijn harde werkers hoor, maar de onderlinge communicatie blijft lastig. Onze eigen jongens leiden we zo goed mogelijk op, maar ze groeien vaak door naar kantoorfuncties. Goede vakmensen, timmerlieden bijvoorbeeld, zijn enorm schaars. Breng me er maar vijftien, die kunnen zo aan de slag!’